Per 1 januari is het convenant ‘Bevorderen continuïteit jeugdzorg’, inclusief het draaiboek ‘Continuïteit Jeugdzorg’, vernieuwd. Het nieuwe convenant loopt tot 2028. De ministeries van VWS en JenV, de VNG, brancheorganisaties, de JA en NZa hebben het draaiboek uit 2021 geëvalueerd en op belangrijke punten aangepast. Joram van Leeuwen van de VNG en Anja Verburg van Jeugdzorg Nederland, beiden lid van de stuurgroep van het convenant, vertellen wat er is veranderd.

Het vernieuwde draaiboek 'Continuïteit Jeugdzorg’ is op een aantal punten veranderd ten opzichte van het draaiboek uit 2021. Zo is de scope uitgebreid en is ook vroegsignalering van continuïteitsproblemen (trede 1 en 2) opgenomen in het draaiboek. De taken en rollen van de regio/gemeenten, aanbieders en de Jeugdautoriteit (JA) zijn duidelijker omschreven. En in het draaiboek is alvast opgenomen dat in principe de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) de rol van de JA in het draaiboek zal overnemen wanneer het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg wordt aangenomen. Het nieuwe draaiboek geldt alleen voor casussen die na 1 januari 2025 starten. Vooralsnog wordt er nog niet met het nieuwe draaiboek gewerkt.

Joram van Leeuwen is beleidsmedewerker bij de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en lid van de stuurgroep van het convenant ‘Bevorderen continuïteit jeugdzorg’.
Anja Verburg is senior beleidsadviseur bij Jeugdzorg Nederland en lid van de stuurgroep van het convenant ‘Bevorderen continuïteit jeugdzorg’.

Bekijk alle documenten die vallen onder het vernieuwde convenant 'Bevorderen continuïteit jeugdzorg', waaronder het draaiboek, de geactualiseerde Handreiking 'Inzicht in tarieven jeugdhulp' en de evaluatie van het originele draaiboek uit 2021.

Het convenant uit 2021 is vernieuwd. Is het nog steeds nodig?

Van Leeuwen: “Ja, in de praktijk zijn helaas nog steeds veel continuïteitsproblemen. In die gevallen zijn het convenant en draaiboek voor gemeenten en aanbieders essentiële instrumenten om afspraken mee te maken. Voor de VNG, als vertegenwoordiger van gemeenten, staan er belangrijke dingen in het convenant. Denk aan de rol van de Geschillencommissie Sociaal Domein bij geschillen, vroegsignalering van mogelijke continuïteitsproblemen bij aanbieders, en een goede monitoring. Met de voorgenomen wet ‘Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg’ worden dit soort zaken meer verankerd in de Jeugdwet. Tot die veranderingen zijn doorgevoerd hebben we het convenant en draaiboek hard nodig.”
Verburg: “Het ziet er niet naar uit dat de financiële problemen in de jeugdzorg op korte termijn worden opgelost. Het draaiboek is nog steeds hard nodig, inclusief vroegsignalering om te voorkomen dat organisaties in een hersteltraject terecht komen. Er komt een ravijnjaar op gemeenten af, en aanbieders en gemeenten staan bijvoorbeeld nog midden in de transformatie van de JeugdzorgPlus. Het is dus goed dat het convenant is verlengd.”
Van Leeuwen: “Het convenant heeft in 2021 veel duidelijkheid geschept over ieders rol. We wilden vooral voorkomen dat hier discussies over bleven ontstaan.”
Verburg: “Zeker omdat jeugdzorgaanbieders en gemeenten op verschillende schaalniveaus werken. Dat maakt het lastig om inkoop op een efficiënte manier vorm te geven. Het zijn niet voor niets de grote specialistische aanbieders met een breed gespecialiseerd en dekkend aanbod, die in meerdere regio’s actief zijn, die financiële problemen hebben en bij de Jeugdautoriteit (JA) in casuïstiek zitten.”

Wat is er sinds 2021 veranderd?

Verburg: “In elk geval zijn de plannen voor de jeugdzorg veranderd. We hebben nu een Hervormingsagenda.”
Van Leeuwen: “Voor ons springen er twee belangrijke onderwerpen uit de Hervormingsagenda. Enerzijds de beschikbaarheid voor kinderen die echt jeugdzorg nodig hebben. Daar zijn meer landelijke afspraken voor nodig. En anderzijds meer zoeken naar zorg buiten het domein van de jeugdzorg, aansluitend op de plek waar kinderen komen: op school of in de buurt. Er zit een spanningsveld tussen die twee elementen, maar het is de taak die we hebben. Op bepaalde punten hebben we de afgelopen jaren concrete stappen gezet. Het aantal gesloten plekken is meer dan gehalveerd. Dat is een mooie prestatie van gemeenten en aanbieders.”
Verburg: “Er verandert wel wat, al gaat het langzaam. De marktwerking helpt niet. Net als  de complexiteit in de jeugdzorg door al die diversiteit van contractuele eisen van verschillende gemeenten aan de grotere aanbieders. Maar iedereen heeft steeds duidelijker voor ogen dat het in de leefwereld van kinderen en gezinnen moet gebeuren en dat je de jeugdzorg lokaal kunt organiseren, ook als je regionaal inkoopt. Dat is ook de reden dat de jeugdzorg naar gemeenten is gegaan.”
Van Leeuwen: “De Deskundigencommissie Hervormingsagenda gaf dat onlangs ook weer aan: zoek de aansluiting met aanpalende domeinen. Dat betekent werk aan de winkel voor gemeenten.”
Verburg: “Samen met aanbieders.”

"In het nieuwe draaiboek staat duidelijker wat regio’s en gemeenten aan informatievoorziening mogen verwachten van de aanbieder."

Het draaiboek uit 2021 is vorig jaar geëvalueerd. Wat kwam daar uit?

Verburg: “Onder andere dat het niet altijd duidelijk is wie wat wanneer moet doen als het draaiboek in werking treedt. Wanneer je als aanbieder plannen maakt om de financiën op orde te krijgen, wil je weten wanneer de regio besluiten over dat plan neemt. In het nieuwe draaiboek hebben we daar stappen in gezet. De partijen hebben nu bijvoorbeeld twee maanden om een trede van urgentie te bepalen. Ook is er een termijn vastgesteld om procesafspraken te maken.”
Van Leeuwen: “In het nieuwe draaiboek staat duidelijker wat regio’s en gemeenten aan informatievoorziening mogen verwachten van de aanbieder. Dat stond nog niet concreet in het oude draaiboek. De grootste aanpassing voor gemeenten is de rol van de regievoerder, die duidelijker is omschreven. Wat houdt de regie precies in? Welke taken horen daarbij? En hoe is de besluitvorming georganiseerd? Dat staat er nu explicieter in.”
Verburg: “Zo’n hersteltraject kan heel complex worden. Probeer het maar eens met 50 gemeenten eens te worden over een plan. Vervolgens moeten die gemeenten dat ook weer voorleggen aan hun gemeenteraad, met daarin verschillende partijen en meningen.”
Van Leeuwen: “Dan helpt het als de rollen duidelijk omschreven staan. Ook die van de JA. Die rol wordt in sommige gevallen kleiner. Bijvoorbeeld omdat de accounthoudende regio volgens het nieuwe draaiboek als regievoerder afspraken maakt met de gemeenten die zij vertegenwoordigt. Voorheen pakte de JA die regierol soms op. Ook moeten de gemeenten en aanbieder zelf een trede van urgentie bepalen. Komen ze daar onderling niet uit, dan bepaalt de JA de trede.”

Wat betekent de voorgenomen overgang van jeugdtaken naar de Nederlandse Zorgautoriteit voor het draaiboek?

Van Leeuwen: “Ik denk dat, wanneer het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg in werking treedt, de werkzaamheden van de JA rond casuïstiek op korte termijn niet heel anders zal worden. En de NZa heeft zich ook gecommitteerd aan het nieuwe draaiboek en convenant.”
Verburg: “Wat casuïstiek betreft hoop ik ook dat er niet veel zal veranderen in de aanpak van de NZa. Verder heeft de NZa veel ervaring met vroegsignalering in de reguliere zorg en GGZ. De jeugdzorg kan daarvan profiteren. 
Van Leeuwen: “Op het gebied van vroegsignalering kunnen we zeker verder professionaliseren. Ik zie straks ook een belangrijke taak weggelegd op het gebied van stelselonderzoek. Ik ben benieuwd hoe de NZa invulling gaat geven aan die taak. Met de gemeenten zullen we ook afspraken moeten gaan maken over het toezicht op de jeugdzorg, samen met de NZa en de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ). De gemeenten gaan over de doelmatigheid van de jeugdzorg, de IGJ over de kwaliteit en de NZa straks over de bedrijfsvoering. Maar die zaken kun je niet los van elkaar zien. Het hangt allemaal met elkaar samen.”

"Gemeenten en aanbieders moeten de jeugdzorg van de toekomst samen vormgeven.”

Het vernieuwde convenant loopt tot 2028. Waar staat de jeugdzorg dan, denken jullie?

Verburg: “Ik heb geen glazen bol, maar ik hoop wel op een verbreding van jeugdzorg naar het lokale veld, zoals het onderwijs en wijkteams. Uit onderzoek van het CBS blijkt dat 80 procent van de jeugdbescherming het gevolg is van problemen in het gezin, zoals echtscheidingen of GGZ-problematiek bij ouders. Dat zegt iets over waar de problemen ontstaan. Vaak is er vooral ouder- en gezinshulp nodig, maar we kijken allemaal naar de jeugdzorg voor oplossingen. Wij moeten onze expertise inzetten om bestaande netwerken op elkaar aan te laten sluiten en beter samen te werken rond gezinnen.”
Van Leeuwen: “Ik hoop dat we tegen 2028 stappen hebben gezet in het uniformeren van jeugdzorg. En dat we bijvoorbeeld hebben bepaald wat gespecialiseerde jeugdhulp precies is. Verder sluit ik me aan bij de wens om meer mogelijk te maken buiten het domein van jeugdhulp. Gemeenten en aanbieders moeten wel goed ondersteund worden bij de implementatie van de Hervormingsagenda.”
Verburg: “Daarvoor hebben we elkaar hard nodig. Gemeenten en aanbieders moeten de jeugdzorg van de toekomst samen vormgeven.”
Van Leeuwen: “Gelukkig ziet iedereen daar nu de noodzaak van in. De relatie tussen regio’s en aanbieders lijkt sinds de decentralisatie in 2015 behoorlijk verbeterd. We moeten het samen doen. Het is een partnerschap.”

Abonneren op JA Magazine

Abonneer je gratis op het online magazine van de Jeugdautoriteit en ontvang vier keer per jaar de nieuwe editie altijd direct in je mailbox.