Het jeugdhulpstelsel werkt gezamenlijk aan het convenant ‘Bevorderen Continuïteit Jeugdhulp’.

In het convenant maken de stelselpartijen afspraken rondom vier thema’s: tarieven, monitoren en vroegtijdig signaleren door de JA (informatiepositie), geschillenbeslechting en een draaiboek met instructies bij zorgelijke continuïteitrisico’s. Dit alles is ingebed in een Leren en ontwikkelencyclus

Een belangrijk onderdeel van het convenant is het onderdeel ‘Leren en ontwikkelen’, een nieuwe werkwijze die de gemeente Utrecht met de jeugdhulpaanbieders in haar regio al succesvol toepast. In dit dubbelinterview vertellen Gerbrich Kuperus en Gaby Willemse van de gemeente Utrecht wat Leren en ontwikkelen precies inhoudt en wat dit voor het jeugdhulpstelsel kan betekenen.

Gerbrich Kuperus
Gerbrich Kuperus

Wat betekent ‘Leren en ontwikkelen’ in relatie tot de continuïteit van de jeugdhulp?

Gerbrich: De jeugdhulp bevindt zich in een zeer beweeglijk veld waarin een grote ambitie leeft om de jeugdhulp dichterbij huis en meer op maat te organiseren. Die dynamiek is goed, want de gewenste veranderingen zijn hard nodig. De keerzijde ervan is dat de continuïteit onder druk kan komen te staan. In het convenant maken de partners uit het stelsel afspraken om gezamenlijk de continuïteit van de jeugdhulp te bewaken. Niet alleen is er behoefte aan heldere afspraken en regels, maar ook aan een cultuur en werkwijze waarin organisaties het gewoon vinden om voortdurend in ontwikkeling te zijn opdat de kwaliteit van de samenwerking in het stelsel als geheel blijft groeien. Op momenten dat de continuïteit onder druk dreigt te komen, is het fijn om terug te kunnen vallen op de afspraken die we hierover maken. Het convenant nodigt partners uit om in gesprek te blijven en te kijken naar wat er is gebeurd, hoe ze dat met elkaar hebben gedaan en hoe dit in het vervolg kan worden voorkomen. Leren en ontwikkelen is een nieuwe manier van communiceren en werken, en ja dat gaat over samen leren, samen ontwikkelen.


Waarom is het belangrijk om de afspraken uit het convenant in te bedden in een Leren en ontwikkelencyclus?

Gaby: Aan de ene kant stimuleert Leren en ontwikkelen gemeenten en jeugdhulpaanbieders om het eigen handelen kritisch na te lopen en te verbeteren. Een ander belangrijke meerwaarde is om bepaalde vraagstukken breed beschikbaar te maken in het stelsel zodat andere partijen hier ook van kunnen leren. Op die manier hoeven we niet iedere keer het wiel opnieuw uit te vinden indien een soortgelijke case zich voordoet.

Gerbrich: De Leren en ontwikkelencyclus is opgenomen in het convenant zodat we steeds beter worden in wat we doen. Het bestaat niet uit een veelheid aan gedetailleerde regels. Wanneer er een teveel aan gedetailleerde regels is, loert het gevaar dat de bedoeling nauwelijks meer zichtbaar is. Niet alleen wordt dan onduidelijk hoe te handelen, ook loop je kans dat het gesprek juridificeert in plaats van dat het leeropbrengsten heeft.

"De leer- en ontwikkelencyclus geeft gemeenten en jeugdhulpaanbieders de juiste handvatten om als volwaardige partners met elkaar in gesprek te blijven"

Wat voor een effect verwachten jullie door Leren en ontwikkelen op de continuïteit voor de jeugdhulpsector?

Gerbrich: Het belangrijkste effect voor de continuïteit van de jeugdhulp is dat we verstandig omgaan met de veranderingen in dit stelsel op het moment dat de continuïteit onder druk komt te staan. Het belang van de jeugdige en het gezin blijft daarin leidend. In het verleden zijn er helaas casussen geweest waarin dit niet goed is gegaan. Dit heeft toen onnodig veel stress opgeleverd bij de betrokken jeugdigen en de gezinnen. Met het convenant wordt elke stap in het proces voor iedereen helder gedefinieerd. Voorheen was het vooral pionieren in zo’n crisissituatie, omdat we hier simpelweg nog nooit mee te maken hadden gehad. De leer- en ontwikkelcyclus geeft gemeenten en jeugdhulpaanbieders de juiste handvatten om als volwaardige partners met elkaar in gesprek te blijven, om naar een oplossing te werken en ook om te kijken hoe de situatie in het vervolg kan worden voorkomen. Komen de partijen er gezamenlijk nog steeds niet uit, dan is het fijn dat de JA als onafhankelijke partij kan optreden en bemiddelen.

Gaby: Als we kijken naar het gehele plaatje van het jeugdzorglandschap ben ik van mening dat de rol van de JA essentieel is om ontwikkelingen in het zorglandschap in samenhang te beoordelen. De JA heeft een veel breder beeld dan individuele gemeenten of aanbieders van die ontwikkelingen en hoe ze elkaar raken. Eventuele zwakke plekken in het zorglandschap worden zichtbaar gemaakt, binnen de regio’s maar ook bovenregionaal en landelijk. Als er beter zicht is op de risico’s kunnen partners uit het stelsel daar gezamenlijk op acteren. Het zal in de toekomst hopelijk niet meer als een verrassing komen als bijvoorbeeld een locatie gaat sluiten of als een zorgaanbieder ernstige financiële problemen heeft, omdat de risico’s eerder in beeld zijn gebracht. Partners hebben daar in een vroeg stadium het gesprek over kunnen voeren.

Gaby Willemse
Gaby Willemse

Hoe denkt u dit concreet terug te zien in de samenwerking met jeugdhulpaanbieders van de gemeente Utrecht?

Gerbrich: De leer- en ontwikkelcyclus vormt een belangrijk onderdeel in het convenant waarin gemeente en jeugdhulpaanbieder het gesprek op basis van een partnerschap aangaan. In onze regio hebben wij met de aanbieders al flinke slagen gemaakt wat tot een aangename en efficiënte manier van samenwerken heeft geleid. Vanuit de aanbiederszijde is er bijvoorbeeld meer besef en begrip gekomen voor de rol en verantwoordelijkheid van de gemeenteraad en ook voor knellende financiële kaders. Aanbieders in Utrecht voelen zich medeverantwoordelijk voor de verdeling van de schaarse middelen. Andersom hebben gemeenten de Norm voor Opdrachtgeverschap ontwikkeld en vastgesteld. De norm beschrijft een aantal randvoorwaarden die voor aanbieders belangrijk zijn om een goede dienstverlening aan te bieden. In Utrecht werken wij bijvoorbeeld al met langdurige contracten, investeren wij veel in het partnerschap met onze aanbieders en werken we voornamelijk met de taakgerichte bekostigingsvariant. En juist die taakgerichte bekostigingsvariant geeft vooral veel ruimte om invulling te geven aan dat partnerschap.

Landelijk zijn er drie bekostigingsvarianten afgesproken zodat aanbieders niet met meer dan drie verschillende bekostigingsvarianten te maken krijgen: resultaatgericht, taakgericht of prestatiegericht.

Gaby: Voor Utrecht is het Leren en ontwikkelen eigenlijk al grotendeels in lijn zoals we willen werken. We willen aanbieders passende financiering bieden. Wij werken met de taakgerichte bekostigingsvariant, onze gesprekken over financiering gaan niet over producten en tarieven maar over een passend budget voor de totale opdracht. Zo’n soort financieringsafspraak biedt ruimte maar vraagt ook dat aanbieders in control zijn en dat er wederzijds vertrouwen is. Dat moet groeien, en dat hebben we de afgelopen jaren ook zien gebeuren. We hebben daarbij altijd benadrukt dat het essentieel is dat aanbieders knelpunten tijdig bespreekbaar maken. Of het nou gaat over niet uitkomen met het budget, een slecht lopende locatie of financiële zorgen over de hele organisatie: als de zorgcontinuïteit van onze inwoners in het geding is, dan raakt dat onze verantwoordelijkheid. Dan wil je vanuit partnerschap vroegtijdig meedenken in wat er nodig is om zorgcontinuïteit te borgen. Tijdig signaleren kan alleen als de aanbieder zelf goed in control is, en dat mag verwacht worden. Dit zijn ook onderwerpen die terugkomen in het convenant.

Hoe staan de stelselpartijen tegenover het Leren en ontwikkelen?

Gaby: Positief lijkt me. Ik kan alleen uit mijn eigen ervaring spreken, maar ik denk dat veel aanbieders en gemeenten de laatste jaren hebben ervaren dat ze niet verder komen door in de strijd te blijven hangen. Door op een andere manier het gesprek in te gaan waarin je elkaar als partners ziet en niet meer uitsluitend redeneert vanuit de verhouding opdrachtgever-opdrachtnemer, kan er een hele andere samenwerking ontstaan.
 
Gerbrich: Vanuit mijn rol in de stuurgroep kan ik bevestigingen wat Gaby zegt. Ik merk dat er in het jeugdhulpstelsel behoefte is aan een vernieuwende manier van werken. Leren en ontwikkelen is niet slechts een evaluatie met als doel iets te leren, het is een geheel nieuwe werkwijze hoe partijen met elkaar omgaan. Het is een geïntegreerd onderdeel van het werken waarmee partijen steeds betere resultaten krijgen en maatschappelijk verschil kunnen maken, want daar gaat het uiteindelijk om.

"De rol van de JA is essentieel om ontwikkelingen in het zorglandschap in samenhang te beoordelen"

Wat is volgens jullie absoluut nodig om Leren en ontwikkelen ten behoeve van de continuïteit van jeugdhulp van de grond te krijgen?

Gerbrich: Het belangrijkste uitgangspunt voor Leren en ontwikkelen is dat we ons blijven verbinden aan de maatschappelijke opgave om jeugdhulp dichterbij en meer op maat te organiseren. Dit werkt voor iedereen motiverend en is het beste kompas om onze inspanningen aan te meten.

Gaby: Nu redeneren partijen soms nog primair vanuit bestaande producten en wordt van daaruit gesproken over tarieven. De nadruk ligt dan meer op het financiële en het bestaande, dan op het inhoudelijke en de gewenste ontwikkeling in een bepaalde regio. Het zou heel mooi zijn om juist te beginnen bij gezamenlijke inhoudelijke ambities, wat er nodig is in die regio en dat afspraken over aanbod en tarieven daaruit volgen.
 

Stel dat het convenant is ondertekend en ik jullie over twee jaar weer spreek, wat zien jullie dan voor je als het Leren en ontwikkelen goed van de grond is gekomen binnen het jeugdhulpstelsel?

Gaby: Ik hoop dat we als partners in het stelsel problemen in zorgcontinuïteit in toenemende mate weten te voorkomen. En dat als dit soort problemen zich voordoen we elkaar snel weten te vinden, de samenwerking soepel verloopt en dat we lessen uit vergelijkbare situaties kunnen benutten.

Gerbrich: Ik hoop dat het jeugdhulpstelsel zich tot een inspirerende en vernieuwende sector ontwikkelt waar mensen graag willen werken, omdat zij ervaren dat ze met dit werk echt verschil kunnen maken. Daarnaast hoop ik dat alle veranderingen die we nu doorvoeren ertoe leiden dat kinderen en gezinnen ervaren dat de jeugdhulp dichterbij en meer op maat is en dat zij zich gesteund voelen door professionals die zich daar met hart en ziel voor inspannen.

Gerbrich Kuperus

Gerbrich Kuperus is Directeur Maatschappelijke Ontwikkeling bij de gemeente Utrecht en als stuurgroeplid betrokken bij het convenant Bevorderen Continuïteit Jeugdhulp.

Gaby Willemse

Gaby Willemse is senior beleidsmedewerker Jeugd bij de gemeente Utrecht met veel ervaring op het gebied van Leren en ontwikkelen binnen de jeugdhulpregio Utrecht Stad.